zaterdag 12 juni 2010

Mening

Laatste blog: dinsdag 11 maart... Het is nu half juni. Is de inspiratie op, Ouariachi? Nou, nee. Maar er is wel iets anders aan de hand. Ik heb last van een ziekte die terugkeert met de regelmaat van een lichte verkoudheid, meermalen per jaar, en vaak na intense inspanning of een periode van wisselvallig weer. Meninkjesmoeheid.

O, ik maak me nog wel kwaad. Aanleidingen genoeg, zeker in de afgelopen verkiezingsweek. Dan vraag ik me af waarom niemand van de lijsttrekkers of dames en heren journalisten de tegenwoordigheid van geest heeft om Geert Wilders te confronteren met zijn kromme redenering over gelijke rechten voor iedereen “zolang je je aan de wet houdt”. En dat daar nu net de crux zit, Geert: dat rechtsgelijkheid pas relevant wordt zodra je de wet overtreedt. Maar nee, hoor, dat vinden ze te ingewikkeld, blijkbaar, terwijl het toch niet al te moeilijk is om dit principe in Jip-en-Janneke-taal uit te leggen aan de kijker, met pak ‘m beet een voorbeeld over Limburgers.

Mjah. Waarom zou ik het dan gaan uitleggen?

Wilders roept dat 1,5 miljoen kiezers niet serieus worden genomen als de PVV geen rol van belang mag spelen in de formatiebesprekingen. En mij schiet dan het grapje te binnen: “Eat Shit! Millions of flies can’t be wrong!”

Te flauw.

Mijn ega attendeert me erop dat het eigenlijk volstrekt onlogisch is dat de VVD nu als eerste met de PVV gaat praten. De PVV representeert nog geen zesde van de stemmers, en de PvdA mag dan wel zetels verloren hebben – die partij heeft nog altijd een grotere groep kiezers achter zich dan de PVV. Tellen die dan ineens niet meer mee? En hoe zit het met D66? Die partij is meer dan verdriedubbeld. Is dat niet evengoed een extreme winnaar die voor de eerste verkenningsronde in aanmerking komt?

Ja, denk ik, sterk punt. Moet ik iets over opschrijven.

Ik zet een paar woorden op papier, maar als ik ze teruglees, bekruipt me een hol en dof gevoel. Weer die Wilders, godverdomme... Ik trek die man niet meer. En óók weer een mening. Waar met veel gemak een andere tegenover geplaatst kan worden... Ik wil geen mening meer hebben! Iedereen heeft al een mening!

Tijdens het laatste grote lijsttrekkersdebat, op de vooravond van de verkiezingen, had de NOS speciaal een of andere ‘jonge, hippe’ imbeciel ingeschakeld, die op een laptopje zat te checken wat er allemaal over het debat werd geroepen op Twitter. En daar deed hij dan om de haverklap verslag van.

Je zou verwachten, wanneer zich tijdens zo’n debat een onenigheid over feiten voordoet (zoals tussen Balkenende en Rutte, over de vermeende huursverhogingen van de VVD, bijvoorbeeld), dat zo’n knaap met een laptop dan even de digitale versies van de verkiezingsprogramma’s doorploegt, alsmede de doorrekening van het CBS, en dan met een beslissende uitspraak komt. Balkenende liegt of Rutte liegt. Wat heb je er als kiezer aan als de organisatie van zo’n debat niet af en toe inspringt met de werkelijke feiten?

Maar nee, in plaats daarvan zet de NOS zo’n stoethaspel achter een terminal, die dan op basis van één tweet verklaart dat de lijsttrekkers te veel door elkaar heen praten. Ja, èn? Het zou wat anders zijn als de programmamakers hadden gekeken naar wat een grote, representatieve groep mensen van het door elkaar heen praten vond, maar nee, er werd één individu geciteerd. Men ging niet aan de hand van fragmenten na of er daadwerkelijk door elkaar heen gepraat werd, nee, er werd één individu geciteerd. Eén twitterende rotmongool die maar wat blèrt in de hitte van het moment, en als beloning ook nog fifteen seconds of fame krijgt toebedeeld. Vanwege een mening.

En dan zijn er de professionele opinies. De kranten puilen ervan uit. Er zit een hoop genuanceerds tussen, dat wel, maar wat schiet je er allemaal mee op? Er wordt iets geponeerd. Iemand reageert met een ingezonden brief. De auteur verweert zich. Storm in een glas water. Volgende week vergeten.

In NRC Handelsblad van dit weekend lees ik een stuk van de schrijver Christiaan Weijts. Over Joran van der Sloot, en wat de overmatige aandacht voor het geval Van der Sloot zegt over ‘de tijdgeest’. Volgt een betoog, verspreid over twee pagina’s, waarin druk gegoocheld wordt met begrippen als authenticiteit, werkelijkheid en fictie. En ik denk: dat heeft Weijts zo ontzettend veel beter, subtieler, beeldender en humoristischer verwoord in zijn fenomenale roman Via Cappello 23! Waarom dan zo’n zouteloos opiniestuk schrijven? De man heeft deze dagen een gezin te onderhouden, begrijp ik, maar is schrijven dan al zoiets banaals geworden, na twee romans en een novelle, dat je je eigen ideeën in de weekendkrant gaat zitten herkauwen voor die paar honderdjes extra?

Dan lees ik, in het weekblad van dezelfde krant, een interview met Remco Campert. Die vertelt dat hij zich “nooit echt geëngageerd [heeft] met iets.” En hij gaat verder: “Er is in het verleden wel een modieus soort inzet geweest, een optocht naar de Russische ambassade in 1956, tegen de inval in Boedapest, of een gelegenheidsgedicht tegen de oorlog in Vietnam. Maar dat gedicht neem ik niet op in mijn bundels. Ik vind het nuttig je in te zetten voor Rushdie, maar mij ontbreekt de zin eraan mee te doen. Ik zie dan het Kremlin of de islamitische hoofdkwartieren denken: uitkijken jongens, Campert zit er ook bij!”

Ik moet hier kostelijk om lachen. Maar ik moet ook denken aan degene die onlangs via Twitter opperde dat ik mijn fictieve briefwisseling met Ayaan Hirsi Ali in het Engels zou moeten vertalen, zodat ze in Amerika ook eens de waarheid over haar konden lezen. Zeer complimenteus, jaja. Maar als de ijdelheid getemperd is, doet de nuchterheid haar intrede: in Amerika? Alsof ik met zo’n lulstukje de ontmaskering van Hirsi Ali in de VS kan bewerkstelligen! En alsof ik dat zou willen! Ik schrijf om te bepalen waar ik sta, om mijn opvattingen en gedachten te ordenen, aan de kaak te stellen, te ironiseren, te ontkrachten. Maar ik ben geen activist.

Remco Campert heeft het goed gezien. Niemand schrikt van de schrijver die zijn mening geeft. Sterker nog: mensen die opiniestukken lezen, zien graag hun eigen mening bevestigd. De rest negeren ze. Zelf probeer ik wel eens een mij onwelgevallige opinie te lezen: dan worstel ik me door zo’n van drogredenen doordrenkt gaapstuk van Afshin Ellian, om maar iemand te noemen. Maar het werkt niet, want mijn directe reactie is: hoe kan die man zo denken? Hoe kan hij zo dom en kortzichtig zijn?

En ongetwijfeld zou Ellian hetzelfde van mij denken, als hij mijn stukken zou lezen. Dus wat is eigenlijk het nut van al die meningen, als je ze toch alleen neerpent voor je eigen parochie?

Als er met schrijven al iets te bereiken valt, dan is het niet op de opiniepagina, maar in het gebied voorbij de gekte van alledag, voorbij dat holle begrip ‘tijdgeest’, voorbij de obligate meninkjes over die tijdgeest. Een goede roman, bijvoorbeeld, is in staat je te verleiden tot het binnendringen van iemands innerlijk, zelfs dat van iemand met wie je op het eerste gezicht nooit iets te maken zou willen hebben. Neem een volstrekt immorele en onsmakelijke figuur als Mickey Sabbath, in Philip Roth’s Sabbath’s Theater. Roth laat je afdalen in het hoofd van die kerel, zo diep en zo langdurig, dat je bijna zelf Mickey Sabbath wordt.

Neem die onaangename huisvader Laarmans die zo slecht is voor zijn gezin, in Elsschots Het dwaallicht: “Och, ik begrijp best dat niets zo drukkend is als de aanwezigheid van een die voor zich uit zit te staren alsof hij alleen was, die nooit een grap vertelt noch iemand op de schouder slaat om hem moed te geven in zijn kwade dagen, die nooit vraagt hoe het gaat, of ben je gelukkig.” Een naarling, die man, maar wel eentje van wie je gaat houden gedurende het verhaal.

Het kan dus toch, je in een ander verplaatsen, al is het via de omweg van de fictie. En je kunt wel degelijk iets zeggen over de wereld en over de mens, zonder te vervallen in "ik vind" of "naar mijn idee", zonder gebruik te maken van lulfrasen als "Nederland anno nu" of "de hedendaagse samenleving".

“Welbeschouwd is mijn enige engagement te schrijven,” zegt Campert. Wijze woorden. Laat de actualiteit in de steek, en wend u voor de waarheid, voor een blijvende waarheid, tot de schone kunsten!

En daar wil ik het bij laten. Al bekruipt mij ergens het gore rotgevoel dat ik met dit stuk toch weer een mening heb zitten verkondigen. Verdomme.