Op facebook roept een vriendin – of nouja, vriendin, in de wereld van facebook valt zelfs de meest vage kennis die je nooit in levenden lijve hebt ontmoet al onder de term ‘friend’, en inderdaad, deze dame ken ik alleen omdat we dezelfde achternaam hebben en vermoedelijk dezelfde wortels in het Noord-Oosten van Marokko, al is dat een uitgestrekt gebied en is de familie zo groot, dat zelfs mijn eigen oma toen ik het haar ooit vroeg, nauwelijks kon vertellen hoeveel kinderen-kleinkinderen-achterkleinkinderen ze had voortgebracht en volstond met een eenvoudig ‘souqs... souqs...’
Maar goed, die ‘vriendin’ dus, roept op facebook moslims op – ze is namelijk een nogal uitgesproken moslima, sterker nog, ze heeft een tijdlang met haar twee zussen een tv-programma gemaakt waarin het drietal als giechelende nonnetjes het Nederland waar ze nota bene zelf waren opgegroeid, ‘verkenden’ vanuit hun rol van moslima, of wat de bedoeling ook mocht wezen, en sindsdien gaan ze als Bekende Nederlanders door het leven, met als hoogtepunt de tv-uitzending waarin ze hun drammerige interview-technieken tevergeefs loslieten op Hans Teeuwen, die hen vervolgens zo’n verschrikkelijke veeg uit de pan gaf, dat de scène bekroond werd tot tv-moment van het jaar, 2008 geloof ik, maar het kan ook 2007 zijn geweest, ik zal verder geen namen en data noemen.
Enfin, die ‘vriendin’ dus roept op donderdag 21 januari via facebook moslims op om zoveel mogelijk geld bij elkaar te brengen voor Haïti, zodat genoemde ‘vriendin’ ’s avonds, tijdens de speciale tv-uitzending Nederland Helpt Haïti een cheque van liefst één miljoen euro kan laten zien namens De Moslims In Nederland.
Nobel? Mijn eerste gedachte is: hoezo zou je als moslim geld storten? Dat kun je toch ook gewoon als mens doen? Waarom moeten die djellaba’s en hoofddoeken zich nu weer zonodig afzonderen van de rest van de maatschappij, het is toch allemaal al erg genoeg? En wat een superieure zelfingenomenheid klinkt er niet in zo’n oproep door! Wij, moslims, zijn zo nobel dat we wel even een miljoen bij elkaar leggen...
Ik wil al bijna reageren, maar weet me in te houden. Wat heeft het voor zin bij iemand die je toch nauwelijks kent? Bovendien, er wordt al zoveel gereageerd, ben ik nou ook al besmet met dat reaguurdersvirus dat inmiddels epidemische vormen begint aan te nemen?
’s Avonds, omdat ik me niet zo lekker voel en verder toch nergens toe kom, schakel ik in op de live-uitzending Nederland Helpt Haïti, in een van tevoren al van cynische walging doortrokken stemming. Ik ga me eens lekker een avondje ergeren aan al die narcistische vrijgevigheid van mijn landgenoten.
Er weerklinkt een Richard-Kleiderman-achtige pianopartij, en daar staan Guus Meeuwis (kedeng-kedeng) en Jörgen Raymann naast elkaar achter microfoons. Raymann trekt zo’n door en door ernstige kop, dat ik ervan in de lach schiet: komieken die ook eens serieus proberen te doen, het is een meelijwekkend gezicht.
Maar verrek, ze zingen, merk ik nu, wel mooi een nummer van André Hazes, Geef mij nu je angst. Wat zullen we nou krijgen, ik raak toch godverdomme niet ontroerd? Niet nu al?
Het lied is afgelopen en terwijl het applaus nog doorklinkt verschijnen de drie presentatoren in beeld: Linda de Mol is natuurlijk de belichaming van dit soort tv-toestanden, dus haar aanwezigheid mag niet verbazen, en Beau van Erven Dorens laat zich tegenwoordig voor alles wat hem maar wordt aangeboden inhuren, maar: wat doet Jeroen Pauw daar?
Recentelijk nog zag ik een oud interview van Theo van Gogh met Pauw, waarin hij zei: ‘Ik heb het idee dat ik volstrekt niet deug.’ En hij lichtte verder toe: ‘Ik geef nooit wat, bijvoorbeeld. Ik heb nog nooit aan Greenpeace, Amnesty International, ik noem maar wat, iets gegeven.’
En dat staat dan nu prominent televisie-kijkend Nederland op te roepen om geld te geven voor Haïti! Je moet wel heel veel schaamteloos lef hebben om je aan zo’n – o heerlijk, kan ik dat woord eindelijk eens gebruiken – gotspe te bezondigen.
Maar Pauw zei in dat interview met Van Gogh ook: ‘Ik zou willen dat ik een beter mens was.’ Eerlijk is eerlijk. En hij leek het nog te menen ook. Dus misschien zijn we eigenlijk getuige van iets heel moois: Jeroen Pauw die live on tv bezig is een beter mens te worden...
Over betere mensen gesproken: daar ontwaar ik ineens Geert Wilders in het belpanel, broederlijk gezeten naast Mark Rutte en Wouter Bos. Nu is het toch wel even jammer dat die Moslims Met Hun Miljoen maar niet in beeld komen. Maar hoezo zit Wilders daar? Was ontwikkelingshulp volgens hem niet ‘een linkse hobby’, een kwestie van ‘miljarden’ die in een ‘bodemloze put’ gestort werden? Nee, hier wil geen enkele verzachtende omstandigheid in mij opkomen, dit is een onvergeeflijke campagnestunt, een zeldzaam staaltje extreme hypocrisie.
Zo kijk ik verder, voortdurend wankelend tussen chagrijnig cynisme en een bestraffende vorm van vergoeilijking: wat loop je nou te kankeren, Ouariachi, jij was toch links, jij was toch voor solidariteit? Ja, maar ja, als ik dan Balkenende hoor zeggen dat we ‘met z’n allen solidair moeten zijn’, dan... Nou en? Als Balkenende’s verschijning mensen over de streep kan trekken om een tientje over te maken zodat er straks iemand te vreten en te zuipen heeft daar in Haïti, dan wordt het Balkenende-middel toch geheiligd door het goede Haïti-doel? En als een meid van Halal een paar moslims die misschien niets van plan waren te geven, toch weet over te halen om geld te storten, wat kan jou het dan schelen dat ze dat als moslim doen? En als de talloze PVV-stemmers een keertje inzien dat ontwikkelingshulp niet alleen maar ‘pappen en nathouden van onze belastingcenten’ is, maar dat zelfs hun rechtlijnige leider een zacht kantje heeft, dan is dat toch mooi meegenomen?
Voordat mijn cynische cipier mijn twijfels terug in hun cel dwingt, maak ik een bedragje over op giro 555. Net op tijd, want als ongeveer een uur later het eindbedrag bekend is gemaakt en de aftiteling begint, zie ik met tevreden walging hoe minister Koenders net iets te gretig zijn hand om Linda de Mols middel kromt, haar vervolgens naar zich toetrekt, en voor het oog van de camera’s voor de tweede keer in twee minuten drie ongetwijfeld net iets te lang durende, en net iets te dicht bij de mond geplaatste zoenen geeft.
Het valt niet mee om een beter mens te worden...
vrijdag 22 januari 2010
zondag 10 januari 2010
Russische Roulette
John Appel, maker van de legendarische Hazes-documentaire Zij gelooft in mij, volgt in zijn nieuwe film The Player een drietal gokkers, of liever gezegd: spelers. Het zijn drie mannen – een bookmaker, een oplichter en een monomane pokeraar – bij wie het niet gaat om ‘een tientje winnen of een tientje verliezen,’ zoals een van hen het verwoordt. Nee, ‘de echte grote gokker, die zet zichzelf op het spel.’
Dat geldt ook voor Appels overleden vader, wiens levensverhaal de regisseur tussen dat van de drie geportretteerden door weeft. Appel senior was een succesvol makelaar die al zijn geld verkwistte op de paardenraces en later in het casino te Zandvoort. Meermalen zette hij zelfs het welzijn van zijn gezin op het spel. Op zijn sterfbed in het ziekenhuis gaf hij zijn zoon John een twintigtal cheques om in het casino mee te gokken opdat de ziekenhuisrekening betaald kon worden.
Het knappe van John Appel is dat hij zowel zijn vader als de drie geportretteerden, waarvan er eentje toch al tien jaar in het gevang zit, volledig in hun waarde laat. Hoe afstotelijk hun gedrag op het eerste gezicht ook mag zijn, gaandeweg winnen zij de sympathie van de kijker. Hun levenshouding wordt misschien niet begrijpelijk, maar wel inzichtelijk. En er mag gelachen worden, zeker, maar het is een lach die steeds bitterder wordt naarmate Appel, stapje voor stapje, steeds meer de schaduwkant van hun alles-of-niets-levensstijl laat zien. Hij doet dat bovendien met huiveringwekkend mooie close-ups en in een montage die compositorisch gezien aan die van een literair werk doet denken.
Dat is een verademing in een tijd waarin documentair filmen vooral aangewend wordt voor hysterische hypes, navelstaarderig exhibitionisme, publieke schandpaalnagelarij en overmatig gepsychologiseer.
Hoe zeldzaam Appels attitude is, en hoe door en door verpest door veroordelingsdrang en psycho-geblaat de rest van de maatschappij is, viel mij gisteren op. Ik zag The Player tijdens een speciale vertoning in filmhuis Rialto. Appel was aanwezig en werd na de film geïnterviewd door Hanneke Groenteman, waarna ook het publiek gelegenheid kreeg om vragen te stellen.
Waarom liet Appel in de film niets zien over psychiatrische behandelingen tegen gokverslaving? vroeg een jongeman met een stem die trilde van morele verontwaardiging (want zo’n filmregisseurtje moest toch godverdomme niet denken dat hij zelf kon bepalen wat hij wel en niet liet zien in die kutfilm van hem?). Kalmpjes antwoordde de regisseur dat hij daar niet in geïnteresseerd was, dat hij het gokken meer als een levenshouding zag dan als een ziekte – in ieder geval was dát wat hij wilde laten zien. De jongeman, stellig overtuigd dat het publiek in de uitverkochte zaal door sneeuw en kou was afgereisd om hem aan het woord te horen, was dit toch echt niet met Appel eens en als Groenteman niet tijdig had ingegrepen was er een stevige en vooral slaapverwekkende discussie ontstaan.
Iemand anders had een vraag over de gedetineerde oplichter in de film die - zo blijkt gaandeweg - ook de regisseur flink in de maling neemt. Was Appel niet boos dat hijzelf ook het slachtoffer was geworden van deze oplichter? Nee, luidde het terechte antwoord, het mooie was juist om de man in actie te zien, tijdens zijn oplichterspraktijken. Het was ‘een cadeautje’ aan de filmmaker dat die situatie zich voordeed.
Maar hoe moesten we het gedrag van die oplichter precies duiden? vroeg weer een ander zich af. Bleef hij volharden in zijn criminele gedrag, zelfs vanuit de gevangenis, omdat hij onbewust bang was voor de boze buitenwereld en liever koos voor de beschermde omgeving van De Koepel in Haarlem?
Het ging maar door. Niets kon onuitgesproken blijven, niets werd aan de fantasie overgelaten. Het mysterie moest vernietigd, de schoonheid overschreeuwd met clichés uit journalistiek, politiek en hulpverlening. Graag had ik met een machinegeweer dat voltallige publiek omver gemaaid – maar een laatste restje intelligentie (en praktische bezwaren, ook die) dreven me de zaal uit, naar de Italiaan aan de overkant van de bioscoop, waar ik met mijn lief nog lange tijd over die prachtfilm bleef napraten.
The Player – ga die film zien! En laat uw morele geldingsdrang en psychologische verklaringsverslaving toch lekker thuis. Kijken en luisteren – u hebt er genoeg aan, wanneer u in handen bent van zo’n magistrale regisseur als John Appel.
Dat geldt ook voor Appels overleden vader, wiens levensverhaal de regisseur tussen dat van de drie geportretteerden door weeft. Appel senior was een succesvol makelaar die al zijn geld verkwistte op de paardenraces en later in het casino te Zandvoort. Meermalen zette hij zelfs het welzijn van zijn gezin op het spel. Op zijn sterfbed in het ziekenhuis gaf hij zijn zoon John een twintigtal cheques om in het casino mee te gokken opdat de ziekenhuisrekening betaald kon worden.
Het knappe van John Appel is dat hij zowel zijn vader als de drie geportretteerden, waarvan er eentje toch al tien jaar in het gevang zit, volledig in hun waarde laat. Hoe afstotelijk hun gedrag op het eerste gezicht ook mag zijn, gaandeweg winnen zij de sympathie van de kijker. Hun levenshouding wordt misschien niet begrijpelijk, maar wel inzichtelijk. En er mag gelachen worden, zeker, maar het is een lach die steeds bitterder wordt naarmate Appel, stapje voor stapje, steeds meer de schaduwkant van hun alles-of-niets-levensstijl laat zien. Hij doet dat bovendien met huiveringwekkend mooie close-ups en in een montage die compositorisch gezien aan die van een literair werk doet denken.
Dat is een verademing in een tijd waarin documentair filmen vooral aangewend wordt voor hysterische hypes, navelstaarderig exhibitionisme, publieke schandpaalnagelarij en overmatig gepsychologiseer.
Hoe zeldzaam Appels attitude is, en hoe door en door verpest door veroordelingsdrang en psycho-geblaat de rest van de maatschappij is, viel mij gisteren op. Ik zag The Player tijdens een speciale vertoning in filmhuis Rialto. Appel was aanwezig en werd na de film geïnterviewd door Hanneke Groenteman, waarna ook het publiek gelegenheid kreeg om vragen te stellen.
Waarom liet Appel in de film niets zien over psychiatrische behandelingen tegen gokverslaving? vroeg een jongeman met een stem die trilde van morele verontwaardiging (want zo’n filmregisseurtje moest toch godverdomme niet denken dat hij zelf kon bepalen wat hij wel en niet liet zien in die kutfilm van hem?). Kalmpjes antwoordde de regisseur dat hij daar niet in geïnteresseerd was, dat hij het gokken meer als een levenshouding zag dan als een ziekte – in ieder geval was dát wat hij wilde laten zien. De jongeman, stellig overtuigd dat het publiek in de uitverkochte zaal door sneeuw en kou was afgereisd om hem aan het woord te horen, was dit toch echt niet met Appel eens en als Groenteman niet tijdig had ingegrepen was er een stevige en vooral slaapverwekkende discussie ontstaan.
Iemand anders had een vraag over de gedetineerde oplichter in de film die - zo blijkt gaandeweg - ook de regisseur flink in de maling neemt. Was Appel niet boos dat hijzelf ook het slachtoffer was geworden van deze oplichter? Nee, luidde het terechte antwoord, het mooie was juist om de man in actie te zien, tijdens zijn oplichterspraktijken. Het was ‘een cadeautje’ aan de filmmaker dat die situatie zich voordeed.
Maar hoe moesten we het gedrag van die oplichter precies duiden? vroeg weer een ander zich af. Bleef hij volharden in zijn criminele gedrag, zelfs vanuit de gevangenis, omdat hij onbewust bang was voor de boze buitenwereld en liever koos voor de beschermde omgeving van De Koepel in Haarlem?
Het ging maar door. Niets kon onuitgesproken blijven, niets werd aan de fantasie overgelaten. Het mysterie moest vernietigd, de schoonheid overschreeuwd met clichés uit journalistiek, politiek en hulpverlening. Graag had ik met een machinegeweer dat voltallige publiek omver gemaaid – maar een laatste restje intelligentie (en praktische bezwaren, ook die) dreven me de zaal uit, naar de Italiaan aan de overkant van de bioscoop, waar ik met mijn lief nog lange tijd over die prachtfilm bleef napraten.
The Player – ga die film zien! En laat uw morele geldingsdrang en psychologische verklaringsverslaving toch lekker thuis. Kijken en luisteren – u hebt er genoeg aan, wanneer u in handen bent van zo’n magistrale regisseur als John Appel.
vrijdag 8 januari 2010
De Deur
‘De taal,’ zei de Postmodernist tegen de vriend die naast hem liep, ‘verwijst niet naar de werkelijkheid.’
De vriend vond dit een nogal boude bewering. Ook stoorde hij zich aan de stelligheid waarmee de Postmodernist sprak. Zelf hield hij er weinig stellige overtuigingen op na.
De Postmodernist vervolgde zijn betoog. ‘Derrida heeft al gezegd: il n’ya pas de hors-texte.’ Hij wierp zijn vriend over de rand van zijn bril een diepzinnige blik toe, en in de veronderstelling dat de vriend geen Frans verstond, vertaalde hij: ‘Er is niets buiten de tekst.’
Ze arriveerden bij het café waar ze onder het genot van een jonge klare en een glas bier over het leven zouden praten.
De vriend duwde de cafédeur open en wilde in het kleine halletje al het tochtgordijn opzij schuiven, toen hij plotseling ergens stellig van overtuigd raakte. Hij draaide zich om en smeet – nog voordat de Postmodernist de drempel had kunnen oversteken – de deur achter zich dicht.
Doffe bonk tegen een brekend reukorgaan.
‘Ceci n’est pas une porte,’ playbackte de vriend vanachter de ruit van de deur.
De Postmodernist verstond hem niet, en was door de tranen in zijn ogen evenmin tot liplezen in staat.
‘Wat zeg je?’ vroeg hij nog.
Toen verscheen er een glimlach op zijn bebloede gezicht. Hij wendde zich af van het café, mompelde ‘Zie je wel,’ en ging op huis aan, terwijl hij zich probeerde in te beelden dat zijn neus geen pijn meer deed.
De vriend vond dit een nogal boude bewering. Ook stoorde hij zich aan de stelligheid waarmee de Postmodernist sprak. Zelf hield hij er weinig stellige overtuigingen op na.
De Postmodernist vervolgde zijn betoog. ‘Derrida heeft al gezegd: il n’ya pas de hors-texte.’ Hij wierp zijn vriend over de rand van zijn bril een diepzinnige blik toe, en in de veronderstelling dat de vriend geen Frans verstond, vertaalde hij: ‘Er is niets buiten de tekst.’
Ze arriveerden bij het café waar ze onder het genot van een jonge klare en een glas bier over het leven zouden praten.
De vriend duwde de cafédeur open en wilde in het kleine halletje al het tochtgordijn opzij schuiven, toen hij plotseling ergens stellig van overtuigd raakte. Hij draaide zich om en smeet – nog voordat de Postmodernist de drempel had kunnen oversteken – de deur achter zich dicht.
Doffe bonk tegen een brekend reukorgaan.
‘Ceci n’est pas une porte,’ playbackte de vriend vanachter de ruit van de deur.
De Postmodernist verstond hem niet, en was door de tranen in zijn ogen evenmin tot liplezen in staat.
‘Wat zeg je?’ vroeg hij nog.
Toen verscheen er een glimlach op zijn bebloede gezicht. Hij wendde zich af van het café, mompelde ‘Zie je wel,’ en ging op huis aan, terwijl hij zich probeerde in te beelden dat zijn neus geen pijn meer deed.
Abonneren op:
Posts (Atom)
