dinsdag 1 december 2009

De kunst van het lezen

Stel: ik verzin voor u een verhaaltje. In dat verhaaltje komt een meneer A voor. Meneer A heeft ruzie met meneer B. Zo erg, dat meneer A meneer B uiteindelijk vermoordt. Hoe reageert u als lezer op dat verhaaltje?

1. U stapt naar de politie omdat moord strafbaar is en u meneer A zo gauw mogelijk achter tralies wilt hebben. Wat een smakeloos verhaal, denkt u ondertussen. Dat het überhaupt gepubliceerd mag worden, is al een schande.

2. U klaagt over het simplistische taalgebruik en de korte zinnetjes die ik hanteer om de handeling te beschrijven, u bespot de beroerde opbouw, het voorspelbare einde, de flauwiteit van meneer A’s morele dilemma, de psychologische oppervlakkigheid van beide personages, de filosofische leegte van het wereldbeeld dat uit dit verhaaltje spreekt, het gebrek aan sfeer, het gebrek aan treffend detail – en wat u verder allemaal nog meer aan leeservaring-gerelateerde kritiek op mij kunt uiten. Of misschien bent u wel laaiend enthousiast, dat kan natuurlijk ook.

3. U priemt een beschuldigende vinger in mijn richting omdat ik, als mannelijke schrijver zijnde, in dit verhaal twee mannen opvoer. Waarom niet twee vrouwen, Ouariachi? Wat ben jij eigenlijk voor verschrikkelijke seksist dat er in dat hele rukverhaal van je geen vrouw te bekennen is?

Goed. Ieder die dit leest zal de volstrekte belachelijkheid van de reacties 1 en 3 inzien. Toch, tot mijn verbijstering, kregen reacties van soortgelijke strekking recentelijk ruimschoots de aandacht op tv en op papier.

Zo is er veel te doen geweest over de verfilming van Kluuns roman Komt een vrouw bij de dokter. Wat ik persoonlijk van Kluuns literaire verrichtingen vind, mag blijken uit eerdere berichtgeving, maar daar gaat het me nu even niet om. Waar het me wel om gaat is hoe sommigen op de inhoud van dat boek (of de verfilming ervan) reageren. Voor wie de afgelopen weken op Mars vertoefde, nog even snel het verhaaltje: vrouw krijgt kanker, haar man begint tijdens haar ziekbed een relatie met een andere vrouw. Héél erg dus allemaal. Maar is Komt een vrouw bij de dokter daarmee een immoreel boek of een immorele film?

Volgens de hoofdredacteur van Elle, Cécile Narinx, in ieder geval wel. Cécile was op de galapremière van de film en mocht daar de volgende dag bij De Wereld Draait Door over komen vertellen. Haar visie op de film: ‘Ik kreeg zo’n enorme tyfushekel aan die man die zijn vrouw gewoon laat kreperen en zelf de hort op gaat.’ Dat er over zo’n immorele man zo’n glamoureuze film is gemaakt, en dat de morele boodschap ‘vreemdgaan is SLECHT’ niet expliciet in knipperend neonlicht verkondigd werd in het bioscooptheater, schoot de Elle-hoofdredacteur danig in het verkeerde keelgat.

Hoe dom dit is, valt bijna niet te bevatten. Als Cécile Narinx mijn verhaaltje aan het begin van dit stuk gelezen had, dan was zij het soort lezeres dat meneer A graag achter tralies zou zien verdwijnen en mij als auteur erbij. Cécile Narinx begrijpt niet dat het een verrijking van haar wereld kan zijn als ze zich voor één keertje in een ander verplaatst, hoe slecht ze die ander misschien ook vindt. Ze wil niet zien dat andere mensen óók drijfveren hebben, en dat het verkennen van die drijfveren via de wegen van de kunst, niet immoreel of slecht kan zijn. Of, zoals Oscar Wilde het al in 1891 schreef in het beroemde voorwoord bij The Picture of Dorian Gray: ‘There is no such thing as a moral or an immoral book. Books are well written, or badly written. That is all.’

Ken je klassiekers, Cécile.

Enfin, nu kun je het zo’n mode-teef van de Elle misschien ook niet kwalijk nemen. Kledingstukken dragen immers zelden een morele boodschap uit – weet zij veel. Kwalijker wordt het wanneer een universitair docent in de Engelse Letterkunde niet weet hoe ze een boek moet lezen. Ik heb het dan over de Vlaamse Kristien Hemmerechts – tevens schrijfster, onder meer van het vorig jaar verschenen onzinpamflet De man, zijn penis en het mes.

In het kort kwam dit aan een vreemdsoortige leesblindheid ontsproten gedrocht van een pamflet erop neer, dat in veel literatuur de man zijn penis aanwendt om vrouwen fysiek te kwetsen, en dat Hemmerechts genoeg heeft van deze verkrachtersmentaliteit: ‘Misschien wil ik het me niet inbeelden. Ik censureer mijn inlevingsvermogen,’ schrijft ze.

Nuja, een verkrachting op z’n tijd mag natuurlijk wel, maar dan moet de schrijver óók de belevingswereld van de vrouw in kwestie schetsen, en een duidelijk moreel standpunt innemen. Vette pech dus voor de auteur die een man als hoofdfiguur heeft gekozen en zich niet als alwetende verteller in het verhaal wil mengen. (‘Ja, lezer, terwijl mijn hoofdpersoon deze jongedame verkracht, maken u en ik even pas op de plaats. Wat ik hier op deze pagina’s tevoorschijn tover, is natuurlijk eigenlijk te gruwelijk voor woorden, ik zeg het er maar even bij, dat u niet denkt dat ik als schrijver zelf zo’n perverseling ben...’)

Het is volgens deze ‘logica’ dat Hemmerechts grootse schrijvers als Vladimir Nabokov, J.M. Coetzee en John Updike afserveert. Dat het een schrijver als Nabokov er in Lolita nu juist om gáát de wreedheid van zijn psychopatische, pedofiele hoofdfiguur Humbert Humbert te schetsen, en dat deze Humbert zich dan natuurlijk niet ineens empathisch kan gaan inleven in zijn twaalfjarige slachtoffer – tja, dat is een beetje te veel psychologische verfijning voor mevrouw Hemmerechts.

Enfin, het penis-pamfletje werd destijds op zóveel besmuikt gegniffel onthaald (waarna Hemmerechts zichzelf ook nog eens onsterfelijk belachelijk maakte door in een vraaggesprek met Elsbeth Etty haar theorie te opperen dat alle vrouwen orale seks eigenlijk verschrikkelijk vinden en dat de ‘blowjob’ hen door mannen is opgedrongen), ja, zo gênant was het allemaal – stilletjes vermoedde ik dat Hemmerechts korte tijd nadien was platgespoten met een fikse dosis antipsychotische medicatie, opgenomen in een gesloten kliniek, en na een lange reeks creatieve groepstherapiesessies eindelijk in een steunwoning was beland onder constante begeleiding van een literair geïnteresseerde SPH-er.

Maar nee, helaas, ze is terug, en ze is nog erger de weg kwijt dan begin vorig jaar. Het bewijs vinden we in de boekenbijlage van NRC Handelsblad van afgelopen vrijdag.

Wat is het geval? Philip Roth heeft een nieuwe roman uit, The Humbling (of, zoals de titel volkomen verkeerd in het Nederlands vertaald is: De vernedering). Voor de goede orde, en voor wie het boek niet gelezen heeft: het gaat, heel in het kort, over de mentale lijdensweg van een acteur-op-leeftijd die abrupt zijn talent, zijn artistieke instinct kwijtraakt. Een korte maar heftige relatie met een jongere, lesbische vrouw weet hem tijdelijk uit zijn ellende te trekken, maar stort hem er uiteindelijk dubbel zo hard in terug.

Ook al telt het boek slechts 140 pagina’s, toch heeft de NRC al weken de tijd nodig om het te recenseren. Pieter Steinz beet het spits af met een wat nukkige bespreking waarin hij vooral erg politiek correct moest kankeren op een scène waarin een groene voorbinddildo voorkomt (beslaat amper twee pagina’s in het boek, maar wordt in elke recensie genoemd) – ‘Dieptepunt is een triootje met twee vrouwen en een voorbinddildo dat eerder leest als een gratuite oudemannenfantasie dan als een structurele bijdrage aan een diepmenselijke tragedie.’ Niet dat Steinz dat zelf nu zo erg vindt, een scène met een voorbinddildo, maar ja, al zijn Amerikaanse collega’s waren er in hun recensies al over begonnen, dus ja, dan kun je als Hollandse boekenkabouter niet achterblijven, natuurlijk.

Opvallend genoeg volgden kort daarna twee uiterst positieve besprekingen van respectievelijk Stine Jensen en Elsbeth Etty. Die laatste wist als enige een werkelijk interessant stuk over de roman te schrijven en daar had het wat mij betreft bij mogen blijven. Maar afgelopen vrijdag verscheen een vierde recensie. Inderdaad, van onze nog immer labiele Kristien Hemmerechts.

Ze zet meteen hoog in door over Philip Roth’s werk op te merken: ‘Zijn mannelijke hoofdpersonages belijden dit mantra: Ik neuk dus ik ben.’

Juist. De man heeft vijfentwintig (25!) romans op zijn naam staan, plus een verhalenbundel en enkele non-fictie-werken, over een rijk scala aan uiteenlopende onderwerpen. Maar Hemmerechts balt alle hoofdpersonages uit dat oeuvre samen tot dat ene platvloerse, zelfbedachte mantra...

Het blijft daar niet bij. Er volgt een betoog dat van de onnavolgbare sprongen aan elkaar hangt en waar vooral een warrig soort verongelijktheid uit spreekt. ‘De vernedering,’ schrijft Hemmerechts bijvoorbeeld, ‘zegt veel over mannen – over hun angst voor de dood, voor impotentie, voor aftakeling, voor afwijzing, én over hun gemengde gevoelens voor vrouwen – maar helemaal niets óver vrouwen.’

Wat er niet aan onredelijk aannames in één zo’n fragmentje zit... Het boek ‘zegt veel over mannen’ – o ja? Ik dacht dat het iets zei over één specifieke man, namelijk de hoofdfiguur. Nergens heb ik Roth ooit horen beweren dat zijn mannelijke hoofdfiguren een soort ‘archetypische’ mannen zijn die eigenlijk model staan voor De Man In Het Algemeen.

En dan is er die verontwaardiging dat het boek niets zegt over vrouwen. Over een vrouwelijke bijfiguur schrijft Hemmerechts: ‘Nooit worden we deelgenoot van háár gedachten.’.

Nee, godverdomme, ze is een bijfiguur! Wat wil je? Dat we van iedere schoenpoetser die in een roman voorkomt het innerlijke gevoelsleven uitgespeld krijgen? Sodemieter toch op, mens.

Maar ze sodemietert pas op na een slotzin die werkelijk alle alarmbellen bij de psycholoog in mij doet rinkelen.

Als de hoofdfiguur van The Humbling zich aan het einde van de roman realiseert dat hij zijn ellende aan zichzelf te danken heeft en de verantwoordelijkheid niet bij de vrouwen in zijn leven kan leggen, zou je opluchting verwachten bij Hemmerechts. De vrouw heeft het immers niet gedaan. Maar in een spasme van krankzinnigheid kotst Kristien er dan de volgende slotregels uit in haar recensie: ‘Het aandeel van de vrouw blijkt uiteindelijk een detail. Zelfs die rol wordt haar niet gegund.’

Niet alleen is Kristien Hemmerechts het soort lezer dat Meneer A graag achter tralies ziet verdwijnen, ook is de schrijver van wat voor verhaal dan ook, hoe dan ook en in elk geval sowieso een seksist.

In de wereld volgens Hemmerechts sluiten we Brett Easton Ellis op omdat de hoofdfiguur van zijn American Psycho een seriemoordenaar is – en bovendien een seksist. In de wereld volgens Hemmerechts mag je geen satire schrijven zoals P.F. Thomése dat deed met Vladiwostok!, een satire waarin je het haantjesgedrag van oversekste, narcistische politici en hun spindoctors de maat neemt – maar zonder hun gedrag expliciet te veroordelen, dus zit je fout. In de wereld volgens Hemmerechts kan elk boek waarin een jood iets verkeerds doet (Roth kan zijn lol op...) verworpen worden als zijnde antisemitisch. Boeken waar het woord nigger in voorkomt, komen op een zwarte lijst, zelfs als ze door een zwarte geschreven zijn. Elk boek waarin vreemdgaan niet expliciet wordt afgekeurd, is moreel verwerpelijk en...

Hé, in dat laatste voorbeeld klinkt zowaar de verontwaardiging van de hoofdredacteur van Elle door. Cécile Narinx en Kristien Hemmerechts – ze zouden het wellicht goed kunnen vinden. Hun opvattingen over film en literatuur vertonen nochtans sterke overeenkomsten. Een gouden duo...

Toch hoop ik dat ze elkaar nooit ontmoeten. Stel je voor dat ze samen een beweging starten, de politiek in gaan, de macht krijgen... Met de boeken die ik in mijn kast heb staan, ben ik zo strafbaar als de pest.

dinsdag 3 november 2009

Handlanger van het racisme

Gisteren vierden we dat Theo van Gogh vijf jaar dood is. Is dat bijzonder? Och, in Nederland worden jaarlijks tussen de 150 en 250 mensen door moord of doodslag om het leven gebracht (bron: CBS, 2008). Waarom? Het kan van alles zijn. Woede, tegenstrijdige belangen, jaloezie, verschillen van mening, noem het maar op. In die zin is de moord op Van Gogh weinig bijzonders, en dat bleek ook wel uit de belangstelling voor de herdenkingsbijeenkomst in het Amsterdamse Oosterpark: er stond voornamelijk veel mediavolk. Je zag zogezegd door de camera’s de bomen van het park niet meer.

Want publieke belangstelling of niet: de moord op Van Gogh is mediageniek. En als dat niet zo is, dan zorgt men er wel voor dat die moord mediageniek wordt. Alle praatprogramma’s die ertoe doen, besteedden aandacht aan het lustrum: De Wereld Draait Door, Pauw & Witteman, Nova – kortom: the usual suspects.

En daar waren ze weer, hoor, De Vrienden Van. Voorop: Theodor Holman, de krabbelende nobody die de verramsjing van zijn boekjes financieel poogt te compenseren met columns in stadskrantje Het Parool, die hij elk jaar bundelt tot weer zo’n boekje dat niemand koopt. Voor Theodor was het een uitkomst, dit jubileum, want hij mocht bij Pauw & Witteman gratis reclame maken voor een bundel met 211 sonnetten over Theo (2-11, snapt u wel?!).

Bij De Wereld Draait Door zat er nog zo eentje krokodillentranen over tafel te spuiten. ‘Ik heb het er moeilijker mee dan ooit, Matthijs,’ bezwoer Jan Mulder zijn gastheer. Het weerhield de immer boze ex-voetballer er niet van om op maandagavond een uur lang televisie te maken, in plaats van met vrienden en familie de betreurde overledene te herdenken in besloten kring, zoals elk normaal, oprecht verdrietig mens zou doen.

Wie het meeste munt sloeg uit de hele poppenkast, was natuurlijk weer Geert Wilders, die twee van zijn critici voor het gemak maar even op één lijn stelde met de moordenaar van Van Gogh: Alexander Pechtold en minister Eberhard van der Laan zouden ‘politieke handlangers van Mohammed B.’ zijn. Waarom? Omdat ze een ‘klimaat creëren’ waarin Wilders iets soortgelijks kan overkomen als Fortuyn en Van Gogh. Omdat ze hem demoniseren.

Zoals gebruikelijk op het stompzinnige medium televisie ging weer niemand op de feiten in. Iemand moet het doen, dus in godsnaam dan maar – het is een humorloze taak, maar daar gaan we.

Iedereen lijkt inmiddels als feit te hebben geaccepteerd dat Fortuyn is vermoord omdat hij ‘door links’ werd ‘gedemoniseerd’. Hallo? Volgens mij is hij vermoord door een verknipte milieu-activist die bang was voor de mogelijkheid dat Fortuyn premier zou worden. Dat Fortuyn door de leiders van andere politieke partijen werd bekritiseerd om zijn standpunten – terecht of onterecht – was het gevolg van precies die standpunten. Actie, reactie, weet u wel? Dat noemen we debat. Als je geen kritiek meer mag hebben op iemands standpunten, dan is de rechtstaat pas echt ver weg. Fortuyn is niet gedemoniseerd. Niemand dan Volkert van der G. had schuld aan zijn dood. Mocht het onverhoopt zo zijn dat Wilders eerdaags wordt neergeknald, dan is ook dan de enige schuldige de moordenaar – niet Pechtold, niet Van der Laan, niet ‘de media’, niet ‘links’, niet ‘de moslims’.

Maar gaat het niet erg ver om Wilders een racist te noemen, zoals Pechtold deed, of een gevaar voor de rechtsstaat, zoals Van der Laan schijnt te hebben gezegd (hij ontkende het later lafjes)? Dat valt te bezien.

Eerst maar even wat definities: een ras is volgens Van Dale een ‘groep van individuen, van een andere groep onderscheiden door een aantal erfelijke en lichamelijke overeenkomsten.’ Ik geef u een voorbeeld van een groep voor wie deze definitie opgaat: Marokkanen. Antillianen vormen nog zo’n groep. Een racist is iemand die discrimineert op grond van iemands ras. Doet Wilders dat? Ja. Dat is geen beschuldiging, maar een feit. Als je Marokkaanse veelplegers het land uit wilt zetten en paps en mams meteen maar mee de grens over gooit, zoals Wilders zou willen (bron: Nu.nl, 8 september 2008), dan ben je een racist, want deze maatregel geldt niet voor autochtone Nederlanders of Nederlanders van een andere etnische afkomst. Je maakt dus een uitzondering voor één etnische groep, en dus ben je een racist.

Erg genoeg, maar nog erger is dat je daarmee inderdaad de rechtsorde bedreigt. In Nederland is iedereen gelijk voor de wet. Kritiekloos interviewde Twan Huys Wilders gisterenavond in Nova. Het leek zowaar of Wilders op het einde een gebaar maakte naar moslims in Nederland, maar lees even heel nauwkeurig mee hoe hij het precies formuleerde:

‘Als [ze] zich aan onze regels houden, aan onze wetten houden, niet de wet overtreden, geen criminaliteit plegen, dan zijn ze gelijk als u en ik en van harte welkom in Nederland. [...] Wat mij betreft gaat een Marokkaan die straatroof pleegt, morgen het land uit.’

Aha! Dus alleen mensen die zich aan de wet houden, zijn voor de wet gelijk aan autochtone Nederlanders. Wie de wet overtreedt, is opeens niet meer gelijk, zoals die Marokkaan uit het voorbeeld. Want wat zou Wilders met die Nederlander doen die een straatroof pleegt? Uitzetten naar Alaska?

Hier is geeneens meer discussie nodig, het is – om een Wilderiaanse term te gebruiken – glashelder: Geert Wilders doet aan discriminatie en, in het geval van de Marokkanen en Antillianen, racisme. En precies daarmee is hij een gevaar voor de rechtsstaat.

Maar al die mensen die op hem dreigen te gaan stemmen dan? Wilders heeft een kiezerspotentieel van één à twee miljoen mensen. ‘Die worden,’ volgens Wilders, ‘door Van der Laan weggezet als racisten.’ De suggestie hier is: een zo grote groep mensen kan het eenvoudigweg niet bij het verkeerde eind hebben. O nee? De vergelijking met de jaren dertig ligt voor de hand, maar we hoeven niet eens zo ver van huis: hier in Nederland, in mei 2002, stemden ruim 1,1 miljoen mensen op de Lijst Pim Fortuyn, waarvan – ik zeg het er maar even bij om de absurditeit in haar volle glorie te doen uitkomen – de lijsttrekker en naamgever een week eerder was doodgeschoten. Het kabinet dat uit deze massamisser voortkwam hield het zevenentachtig dagen uit, een naoorlogs record.

Theo van Gogh was trouwens een groot aanbidder van Fortuyn. Hem was zelfs een ministerspost beloofd, lezen we deze dagen in de pers. Ik weet niet wat uw definitie van knettergek is, maar de mijne dekt deze zaken vrij aardig.

Van Gogh was een idioot die al deze postume verering wat mij betreft niet waard was of is. Zullen we het rouwen volgend jaar maar weer gewoon aan de nabestaanden overlaten? En laat ze dat in godsnaam lekker thuis doen, in plaats van op de buis. En laten we hopen dat Geert Wilders tegen die tijd minister-president is en een nieuw record vestigt op het gebied van het snelst-vallende naoorlogse kabinet.

donderdag 29 oktober 2009

De Maand van de Spirituele Dictatuur

November is gekaapt! Een samenwerkingsverband van ondermeer de KRO, dagblad Trouw en Uitgeverij Ten Have organiseert voor de derde keer de Maand van de Spiritualiteit. En zoals bij elke gekaapte maand of week, hoort daar een onnozel boekje bij. Dit jaar is dat een door Kluun geschreven essay getiteld God is Gek. Een lekker kek en pakkend titeltje, zoals we van altijd-lachen-met-die-Kluun wel gewend zijn (Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt! is nog zo’n knaller). Maar de ondertitel klinkt een stuk dreigender: De dictatuur van het atheïsme.

Hola! Wat is er aan de hand? Is de esoterische markt door de economische crisis ingestort? Ziet de consument eindelijk in dat niemand ooit gelukkiger is geworden door het lezen van The Secret of De Kracht van het Nu? Begint de spiritualiteit af te kavelen en is er een zondebok nodig? Ik weet het niet, maar in ieder geval is de jacht op atheïsten, blijkbaar, geopend.

Een dictatuur van het atheïsme... Nogal een curieus idee, in een land waar twee regeringspartijen expliciet opereren vanuit christelijke grondbeginselen, en waar de leider van de derde regeringspartij, de PvdA, in een interview met NRC Handelsblad ooit aangaf ‘de tale Kanaäns’ te spreken. Verder schijnen we volgens wéér andere politici een islamitische tsunami over ons heen te krijgen als we niet gauw ingrijpen – dus met de heerschappij van het atheïsme valt het politiek gezien nogal mee.

Volgens Kluun doet die dictatuur zich dan ook voornamelijk gelden in ‘de media’. Daarmee bedoelt hij niet de EO, de KRO, of de NCRV, ook niet dagblad Trouw, het Katholiek Nieuwsblad, of maandblad Happinez, nee, hij bedoelt dat handjevol andere media. U weet wel...

Om zijn stelling te bewijzen, heeft Kluun aan een uiterst representatieve steekproef van vijf programmamakers en columnisten gevraagd of God bestaat en of er leven is na de dood. Ondervraagde nummer één, Jeroen Pauw, blijkt een uitgesproken atheïst te zijn. Voor Paul Witteman – hé, werkt die niet intensief samen met de vorige ondervraagde? – gaat hetzelfde op. Verrassend! Columnisten Max Pam en Theodor Holman: zelfde verhaal. Zie je wel! Allemaal atheïsten daar bij De Media!

Maar dan gebeurt er iets geks: de vijfde ondervraagde, Matthijs van Nieuwkerk, twijfelt over het bestaan van God of een hiernamaals. Eén van ’s lands populairste presentatoren is géén atheïst. En dan heeft Kluun nog nagelaten om andere ‘willekeurige’ programmamakers, bijvoorbeeld Andries Knevel en Thijs van den Brink, aan het woord te laten. Hun antwoorden laten zich raden, en dan blijft er óók in de media van die atheïstische dictatuur weinig over.

Maar Kluun is dan pas in het tweede hoofdstukje van de zeventien waaruit God is Gek bestaat, en hij is nog lang niet klaar met de ‘militante’ atheïsten die als ware jihadstrijders achter hun opperhoofd, de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins, aanhobbelen. En wat doen ze? Ze onderdrukken de zogeheten ‘nieuwe spirituelen’, waartoe Kluun zich zo half en half lijkt te rekenen. Daarom komt hij – dapper! moedig! – zelf maar eens uit de kast: ja, hij heeft weleens onverklaarbare dingen meegemaakt, ja, hij heeft het idee dat er een leven na de dood is (‘ik denk nog steeds meer van wel dan van niet,’ in de woorden van de meester).

Broodnodig, zo’n coming out, want ‘over de nieuwe spiritualiteit wordt smalend gepraat in de gezaghebbende media.’ Daar zijn ze weer, die media. Maar wat is gezaghebbend? Met vilein plezier verstrekt Kluun statistieken die aantonen dat de oplagecijfers van zweefmagazine Happinez vele malen hoger liggen dan die van sceptische opiniebladen als Vrij Nederland en HP/De Tijd: 182.000 tegenover 35.000.

Een uitgemaakte zaak, zo lijkt het, maar Kluun wil het nog steeds niet weten. Volgens hem is het in Nederland ‘gemakkelijker om toe te geven dat je homoseksueel bent dan dat je in God gelooft.’

O, ja? Vertel dat maar eens aan de moslim die inderdaad homoseksuele gevoelens bij zichzelf bespeurt.

Bizar genoeg haalt Kluun ook nog cijfers uit de enquête God in Nederland aan, die zijn betoog nog verder ondergraven: 24% van de Nederlanders gelooft in God, 36% gelooft in ‘iets’, 26% weet het niet, en slechts een schamele 14% noemt zich atheïst.

Een atheïstische dictatuur?

De boekwinkels puilen uit van esoterische indoctrinatieboekjes. Je kunt de tv niet aanzetten of het gaat over astrologie, reïncarnatie of praten met de doden.

Wacht eens even... We worden hier verschrikkelijk bij de neus genomen.

Er is helemaal geen dictatuur van de atheïsten. Het zijn juist de spirituelen (oude en nieuwe) die zich voor lijken te bereiden op een staatsgreep. Ze hebben de maand november alvast gekaapt en ze hebben het geheime propagandawapen Kluun ingezet om voor eens en voor altijd af te rekenen met de atheïsten. Wat volgt? Een nieuwe inquisitie? Het jaar van The Secret? De afschaffing van de wetenschap? De eeuw van het hiernamaals?

Help!