zaterdag 12 juni 2010

Mening

Laatste blog: dinsdag 11 maart... Het is nu half juni. Is de inspiratie op, Ouariachi? Nou, nee. Maar er is wel iets anders aan de hand. Ik heb last van een ziekte die terugkeert met de regelmaat van een lichte verkoudheid, meermalen per jaar, en vaak na intense inspanning of een periode van wisselvallig weer. Meninkjesmoeheid.

O, ik maak me nog wel kwaad. Aanleidingen genoeg, zeker in de afgelopen verkiezingsweek. Dan vraag ik me af waarom niemand van de lijsttrekkers of dames en heren journalisten de tegenwoordigheid van geest heeft om Geert Wilders te confronteren met zijn kromme redenering over gelijke rechten voor iedereen “zolang je je aan de wet houdt”. En dat daar nu net de crux zit, Geert: dat rechtsgelijkheid pas relevant wordt zodra je de wet overtreedt. Maar nee, hoor, dat vinden ze te ingewikkeld, blijkbaar, terwijl het toch niet al te moeilijk is om dit principe in Jip-en-Janneke-taal uit te leggen aan de kijker, met pak ‘m beet een voorbeeld over Limburgers.

Mjah. Waarom zou ik het dan gaan uitleggen?

Wilders roept dat 1,5 miljoen kiezers niet serieus worden genomen als de PVV geen rol van belang mag spelen in de formatiebesprekingen. En mij schiet dan het grapje te binnen: “Eat Shit! Millions of flies can’t be wrong!”

Te flauw.

Mijn ega attendeert me erop dat het eigenlijk volstrekt onlogisch is dat de VVD nu als eerste met de PVV gaat praten. De PVV representeert nog geen zesde van de stemmers, en de PvdA mag dan wel zetels verloren hebben – die partij heeft nog altijd een grotere groep kiezers achter zich dan de PVV. Tellen die dan ineens niet meer mee? En hoe zit het met D66? Die partij is meer dan verdriedubbeld. Is dat niet evengoed een extreme winnaar die voor de eerste verkenningsronde in aanmerking komt?

Ja, denk ik, sterk punt. Moet ik iets over opschrijven.

Ik zet een paar woorden op papier, maar als ik ze teruglees, bekruipt me een hol en dof gevoel. Weer die Wilders, godverdomme... Ik trek die man niet meer. En óók weer een mening. Waar met veel gemak een andere tegenover geplaatst kan worden... Ik wil geen mening meer hebben! Iedereen heeft al een mening!

Tijdens het laatste grote lijsttrekkersdebat, op de vooravond van de verkiezingen, had de NOS speciaal een of andere ‘jonge, hippe’ imbeciel ingeschakeld, die op een laptopje zat te checken wat er allemaal over het debat werd geroepen op Twitter. En daar deed hij dan om de haverklap verslag van.

Je zou verwachten, wanneer zich tijdens zo’n debat een onenigheid over feiten voordoet (zoals tussen Balkenende en Rutte, over de vermeende huursverhogingen van de VVD, bijvoorbeeld), dat zo’n knaap met een laptop dan even de digitale versies van de verkiezingsprogramma’s doorploegt, alsmede de doorrekening van het CBS, en dan met een beslissende uitspraak komt. Balkenende liegt of Rutte liegt. Wat heb je er als kiezer aan als de organisatie van zo’n debat niet af en toe inspringt met de werkelijke feiten?

Maar nee, in plaats daarvan zet de NOS zo’n stoethaspel achter een terminal, die dan op basis van één tweet verklaart dat de lijsttrekkers te veel door elkaar heen praten. Ja, èn? Het zou wat anders zijn als de programmamakers hadden gekeken naar wat een grote, representatieve groep mensen van het door elkaar heen praten vond, maar nee, er werd één individu geciteerd. Men ging niet aan de hand van fragmenten na of er daadwerkelijk door elkaar heen gepraat werd, nee, er werd één individu geciteerd. Eén twitterende rotmongool die maar wat blèrt in de hitte van het moment, en als beloning ook nog fifteen seconds of fame krijgt toebedeeld. Vanwege een mening.

En dan zijn er de professionele opinies. De kranten puilen ervan uit. Er zit een hoop genuanceerds tussen, dat wel, maar wat schiet je er allemaal mee op? Er wordt iets geponeerd. Iemand reageert met een ingezonden brief. De auteur verweert zich. Storm in een glas water. Volgende week vergeten.

In NRC Handelsblad van dit weekend lees ik een stuk van de schrijver Christiaan Weijts. Over Joran van der Sloot, en wat de overmatige aandacht voor het geval Van der Sloot zegt over ‘de tijdgeest’. Volgt een betoog, verspreid over twee pagina’s, waarin druk gegoocheld wordt met begrippen als authenticiteit, werkelijkheid en fictie. En ik denk: dat heeft Weijts zo ontzettend veel beter, subtieler, beeldender en humoristischer verwoord in zijn fenomenale roman Via Cappello 23! Waarom dan zo’n zouteloos opiniestuk schrijven? De man heeft deze dagen een gezin te onderhouden, begrijp ik, maar is schrijven dan al zoiets banaals geworden, na twee romans en een novelle, dat je je eigen ideeën in de weekendkrant gaat zitten herkauwen voor die paar honderdjes extra?

Dan lees ik, in het weekblad van dezelfde krant, een interview met Remco Campert. Die vertelt dat hij zich “nooit echt geëngageerd [heeft] met iets.” En hij gaat verder: “Er is in het verleden wel een modieus soort inzet geweest, een optocht naar de Russische ambassade in 1956, tegen de inval in Boedapest, of een gelegenheidsgedicht tegen de oorlog in Vietnam. Maar dat gedicht neem ik niet op in mijn bundels. Ik vind het nuttig je in te zetten voor Rushdie, maar mij ontbreekt de zin eraan mee te doen. Ik zie dan het Kremlin of de islamitische hoofdkwartieren denken: uitkijken jongens, Campert zit er ook bij!”

Ik moet hier kostelijk om lachen. Maar ik moet ook denken aan degene die onlangs via Twitter opperde dat ik mijn fictieve briefwisseling met Ayaan Hirsi Ali in het Engels zou moeten vertalen, zodat ze in Amerika ook eens de waarheid over haar konden lezen. Zeer complimenteus, jaja. Maar als de ijdelheid getemperd is, doet de nuchterheid haar intrede: in Amerika? Alsof ik met zo’n lulstukje de ontmaskering van Hirsi Ali in de VS kan bewerkstelligen! En alsof ik dat zou willen! Ik schrijf om te bepalen waar ik sta, om mijn opvattingen en gedachten te ordenen, aan de kaak te stellen, te ironiseren, te ontkrachten. Maar ik ben geen activist.

Remco Campert heeft het goed gezien. Niemand schrikt van de schrijver die zijn mening geeft. Sterker nog: mensen die opiniestukken lezen, zien graag hun eigen mening bevestigd. De rest negeren ze. Zelf probeer ik wel eens een mij onwelgevallige opinie te lezen: dan worstel ik me door zo’n van drogredenen doordrenkt gaapstuk van Afshin Ellian, om maar iemand te noemen. Maar het werkt niet, want mijn directe reactie is: hoe kan die man zo denken? Hoe kan hij zo dom en kortzichtig zijn?

En ongetwijfeld zou Ellian hetzelfde van mij denken, als hij mijn stukken zou lezen. Dus wat is eigenlijk het nut van al die meningen, als je ze toch alleen neerpent voor je eigen parochie?

Als er met schrijven al iets te bereiken valt, dan is het niet op de opiniepagina, maar in het gebied voorbij de gekte van alledag, voorbij dat holle begrip ‘tijdgeest’, voorbij de obligate meninkjes over die tijdgeest. Een goede roman, bijvoorbeeld, is in staat je te verleiden tot het binnendringen van iemands innerlijk, zelfs dat van iemand met wie je op het eerste gezicht nooit iets te maken zou willen hebben. Neem een volstrekt immorele en onsmakelijke figuur als Mickey Sabbath, in Philip Roth’s Sabbath’s Theater. Roth laat je afdalen in het hoofd van die kerel, zo diep en zo langdurig, dat je bijna zelf Mickey Sabbath wordt.

Neem die onaangename huisvader Laarmans die zo slecht is voor zijn gezin, in Elsschots Het dwaallicht: “Och, ik begrijp best dat niets zo drukkend is als de aanwezigheid van een die voor zich uit zit te staren alsof hij alleen was, die nooit een grap vertelt noch iemand op de schouder slaat om hem moed te geven in zijn kwade dagen, die nooit vraagt hoe het gaat, of ben je gelukkig.” Een naarling, die man, maar wel eentje van wie je gaat houden gedurende het verhaal.

Het kan dus toch, je in een ander verplaatsen, al is het via de omweg van de fictie. En je kunt wel degelijk iets zeggen over de wereld en over de mens, zonder te vervallen in "ik vind" of "naar mijn idee", zonder gebruik te maken van lulfrasen als "Nederland anno nu" of "de hedendaagse samenleving".

“Welbeschouwd is mijn enige engagement te schrijven,” zegt Campert. Wijze woorden. Laat de actualiteit in de steek, en wend u voor de waarheid, voor een blijvende waarheid, tot de schone kunsten!

En daar wil ik het bij laten. Al bekruipt mij ergens het gore rotgevoel dat ik met dit stuk toch weer een mening heb zitten verkondigen. Verdomme.

dinsdag 16 maart 2010

Ayaan & Jamal: De Briefwisseling

Lieve Jamal,

Ik hoorde via-via dat je weer één van je befaamde woede-aanvallen kreeg, toen je mijn opinie-stuk in NRC-Handelsblad van afgelopen weekend las. Die woede verbaast me. Dat moslims uit alle lagen van de samenleving – en niet alleen de Nederlandse! – mij belagen, ben ik inmiddels gewend. Mijn publieke leven voltrekt zich nog altijd als een militaire operatie.

Maar ik kan niet begrijpen dat jij als overtuigd atheïst mij haat, maar ondertussen koppig begrip blijft tonen voor een religie die geen enkel begrip voor jouw standpunten toont. Tikkeltje naïef, lieve vriend.

Zoals ik al schreef in NRC: jij en je elite-vrienden maken onophoudelijk de fout om, ik citeer: “iedereen te demoniseren die vraagtekens zet bij de islam als verontrustende bron van afwijzing van de Nederlandse waarden door veel islamitische minderheden.” (Toegegeven, die zin rammelt een beetje, maar je begrijpt wat ik bedoel.)

De andere, misschien wel ergere fout die ik benoem, is dat mensen als jij zelf consequent verzuimen om adequaat in te gaan op de kwestie van de islam in Nederland. Nog een citaat: “In zaken van seksualiteit, geld en geweld hanteren tribale moslimsamenlevingen een collectieve aanpak, waarbij het gedrag van het individu wordt gereguleerd via een eeuwenoude code van eer en schaamte.”

De gruwelijke gevolgen daarvan willen jouw linkse oortjes blijkbaar niet horen.

Jamal – je publiceert later dit jaar een roman waarin je alles wat heilig is in de wereld tegen de schenen schopt – denk je dat je die mooie schrijverscarrière van je kunt voortzetten als straks de imams de dienst uitmaken in Nederland? Nee, Jamal, dat is geen waanbeeld. Niet als jij en de jouwen jullie gang gaan. Ik heb al eerder gezegd: we moeten de uitgangspunten laten varen van het oude paradigma “dat er vanuit gaat dat de Nederlandse cultuur zich zou moeten verbinden met de islam, om iets nieuws, dynamisch en prikkelends te ontwikkelen.” It ain’t gonna happen.

Wat moet er dan wel gebeuren? Ik heb het je al uitgelegd. Punt één: sluit zwarte scholen, en dwing witte scholen om hun deuren te openen voor moslims, zodat zij aan hen de Nederlandse waarden kunnen overbrengen. Dan moet je wel de groep van “islamitische en etnische organisaties, geleid door zelfbenoemde mannen en vrouwen” trotseren. Dat kan – “ook al is die zeer luidruchtig” – door eenvoudigweg hun subsidies stop te zetten.

Twee: dwing bedrijven die nu belangen hebben in moslimlanden – bijvoorbeeld in de olierijke Golfstaten – om hun afzetmarkt elders te zoeken. “In een mondialiserende wereld zijn de kansen legio.”

En drie: de gevestigde partijen (CDA, PvdA, VVD) die in de grote steden afhankelijk zijn van moslimstemmen, zullen een keuze moeten maken: “Of ze zien Geert Wilders (en nog meer kandidaten zoals hij) aan de macht komen, of ze houden zich aan hun Grote Overeenkomst om niet voor een stem te vechten, waarbij ze beloven de aanhangers van de sharia te beschermen en tegelijkertijd krokodillentranen plengen over de opkomst van het gewelddadige extremisme.”

Ik hoop dat ik het in deze brief beter heb uitgelegd dan in mijn stuk in NRC. Laat nog eens wat van je horen, Jamal, maar laat het een lieve brief zijn!

Veel liefs,
Ayaan Hirsi Ali


=

Dag Ayaan,

Meteen maar even voor de duidelijkheid: alles wat ik hieronder ga zeggen, is inhoudelijke kritiek op de onzin die je aandraagt. Vergeet dus alsjeblieft een keertje dat verrekte begrip ‘demoniseren’. Ik heb nog liever dat de moslims in Nederland de dienst uitmaken, dan dat ik in een vrijheidsstaat moet leven waar elke vorm van kritiek wordt afgedaan met dat modewoord uit het jaar onzes Heeren 2002. Demoniseren – ha!

Het is trouwens niet mijn intentie, Ayaan, om op de man te spelen – of vrouw, in dit geval – maar je maakt het me wel verschrikkelijk moeilijk. Want behalve dat stuk in NRC, konden we je afgelopen weekend ook bewonderen in de Volkskrant, en dat alles omdat je weer een nieuw boek uit hebt, Nomade, waar ik inmiddels in ben begonnen (dus je reclamestuntje-verpakt-als-opinie-artikel-in-NRC heeft gewerkt!). Met name in dat Volkskrantstuk en in je boek zien we de persoon Ayaan op de voorgrond treden: een vrouw die in een heel specifiek soort tribale ‘clan’ is opgegroeid, met eigen wetten en regels. En die specifieke clan stelt zij gelijk aan zo ongeveer de gehele mondiale moslimwereld.

Dat is min of meer hetzelfde als Jan Peter Balkenende – wat een verschrikking ik die kerel ook vind – op één lijn te stellen met de grijpgrage paters die de afgelopen decennia hun tengels niet van kleine jongetjes hebben kunnen afhouden – omdat het in beide gevallen toevallig om christenen gaat. Jij, Ayaan, doet echter precies dát: het exces representatief maken voor een uiterst heterogene (en grote!) groep mensen. Het is een pracht van een techniek, die een club inventieve Duitse marketing-jongens in de jaren dertig een enorme aanhang bezorgde. Ja, ik dacht: ik maak die vergelijking gewoon maar even, dan let je voortaan misschien wat beter op welke debatteertrucs je gebruikt.

En dan je huidige leven: bevriend met Amerikaanse miljardairs die feestjes voor je organiseren op het dak van peperdure hotels in Manhattan, permanent omringd door zware jongens met een zendertje in hun oor, overal aanbeden als een soort vrouwelijke Salman Rushdie... Het is treffend hoe je in het openingshoofdstuk van je boek beschrijft hoe je in een beveiligde auto door een migrantenwijk van Londen rijdt, nadat je net het sterfbed van je vader bezocht hebt. Je beschouwt de hoofddoekjes en burka’s op straat vanachter je geblindeerde ruit – en denkt dat je weet wat er in die mensen omgaat. Wat een treffend beeld, Ayaan!

De arrogantie die er uit dat beeld spreekt... De wereldvreemdheid! Je schrijft in de NRC – je citeert die onbevattelijke passage zelfs in je brief aan mij – over de ‘opkomst van het gewelddadige extremisme’. Welke opkomst heb je het over, Ayaan? In Nederland is één keer iemand door een radicale moslim gedood – Theo van Gogh (vanwege die larmoyante kutfilm die hij voor jou maakte). Is dat het dan? Eén aanslag van één persoon op één andere persoon? Er zijn in Nederland de afgelopen jaren waarschijnlijk méér mensen gestorven doordat de zorg te duur of niet-toereikend is – o, triomf van de marktwerking! Lijkt me iets om je meer zorgen over te maken dan over de islamisering van Nederland.

Over marktwerking gesproken: wat vinden je neo-conservatieve vriendjes bij het American Enterprise Institute er eigenlijk van dat jij bedrijven wilt dwingen om hun afzetmarkt buiten de moslimwereld te zoeken? Politieke dwang op bedrijven uitoefenen? Daar staan in Amerika lijfstraffen op, lieve schat. Laat ze het maar niet horen!

Het is tekenend voor je wereldvreemdheid dat je zwarte scholen wilt sluiten, in plaats van ervoor te zorgen dat daar degelijk onderwijs wordt gegeven. Lijkt me veel belangrijker dan dat blanke en zwarte kids onderling mengen. In het vrolijke New York waar jij je society-feestjes viert, wonen toch ook talloze etnische groepen van elkaar gescheiden? Chinatown, Little Italy, Harlem, Little India... Dus wat nou spreiding? Enfin, dat wist je natuurlijk allemaal niet, omdat die wijken te onveilig zijn voor jouw hoge standaarden om ze eens te bezoeken. Net zoals je waarschijnlijk nooit een hogeschool in Nederland van binnen gezien hebt. Toch? Anders had je wel geweten dat het met die segregatie in Nederland best meevalt.

Maar het ergste, Ayaan, is dat jij je nog altijd durft op te werpen als voorvechtster voor (moslim-)vrouwenrechten. Je bent het zelf misschien al vergeten, maar je hebt toch een aardig tijdje in de Tweede Kamer rondgehangen. En wat heb je in die tijd bereikt?

Er was die onluisterende uitzending van Nova, waarin jij je in een Blijf-van-mijn-lijf huis waagde om Submission aan een aantal mishandelde moslimvrouwen te tonen. Weet je nog? Vervelende herinnering, hè. Ze lustten je rauw! Je beledigde hun religie! Precies de vrouwen voor wie jij zei op te komen, voelden zich absoluut niet door jou vertegenwoordigd!

Je hebt het in je brief over “vraagtekens zetten bij de islam als verontrustende bron van afwijzing van de Nederlandse waarden door veel islamitische minderheden.” Vraagtekens? Was jij niet degene die de profeet Mohammed een perverse man noemde, Ayaan? Een pedofiel, zelfs? En je verdedigt Wilders: de man die de Koran met Mein Kampf vergelijkt. Noem je dat vraagtekens? Effectief, hoor! Het lijkt me dat je daar veel rust, gelijkheid en broederschap mee in een samenleving brengt.

En dan je voorstel om bij moslimmeisjes een jaarlijkse clitoris-check te verrichten. Hoe ziek is dát? En bovendien, opnieuw: hoe effectief? Als de clitoris weg is – wat ga je dan doen? Die kinderen bij hun ouders weghalen? Nou, dáár worden het zelfverzekerde, evenwichtige vrouwen van, later. Idioot!

Er kwam een hiphopnummer, de ‘Hirsi Ali Diss’, gemaakt door een stel puberende Marokkaantjes. ‘Met je dichtgenaaide snee / bij de VVD,’ rapten ze over je. Nee, dat is niet netjes. Jij diende een aanklacht in en de knapen kregen een taakstraf. Maar wat had je niet kunnen bereiken als je eens met ze was gaan praten? De discussie met die jochies aangaan – wat een verschil dat niet had kunnen maken, wat een indruk! Deed je niet. Bleef lekker veilig in je bunker zitten. Maar wel weer gratis publiciteit, dat dan weer wel.

De problemen die jij allemaal hebt aangekaart, Ayaan – ze zijn er. En er moeten oplossingen voor komen. Maar de verdeel-en-heers politiek die jij in je jaren als VVD-lid van de Tweede Kamer ten toon hebt gespreid, en die je nu nog eens dunnetjes over doet in wat gratuite pamfletjes om je beveiliging mee te financieren – die brengen daar geen verandering in. Daar is meer voor nodig. Allereerst respect. Want een bevolkingsgroep – hoezeer je het ook met hun ideologie oneens bent – die vernederd wordt, heeft weinig goesting om zich te voegen naar de wil van een losgeslagen schreeuwlelijk als jij.

Ayaan – je hebt gefaald. Als schrijfster, als opiniemaker, als moslimexpert en vooral als politica. Dat weten ze daar in de VS nog niet. Maar ze komen er hopelijk gauw genoeg achter.

Misschien moet je de overstap van autobio- en propagandaproza naar fictie eens maken? Je hebt fabuleringstalent genoeg, mevrouw Hirsi Magan. Nogmaals: veel succes met je verdere glansrijke carrière en houd alsjeblieft op mij en mijn landgenoten vanuit de VS te bestoken met je wereldvreemde prietpraat.

Achtend,
Jamal Ouariachi


=

Disclaimer: bovenstaande tekst is – uiteraard – fictie. Goddank is mij de kwelling van een briefwisseling met mevrouw Hirsi Ali in werkelijkheid bespaard gebleven.

De auteur.

dinsdag 2 maart 2010

De hobby's van onderontwikkeld rechts

De PVV wil af van subsidies voor de ‘linkse hobby’s’ kunst en cultuur. Op het eerste oog heeft de partij een punt: Nederlandse gemeenten geven alles bij elkaar 1,7 miljard euro uit aan kunst en cultuur, zo schrijft NRC Handelsblad afgelopen weekend (27/28 februari 2010). Geen gering bedrag in tijden van crisis. Op dezelfde pagina van de krant zegt de lijsttrekker van de PVV in Den Haag, Sietse Fritsma, dan ook: ‘Waarom zou Jan Modaal moeten meebetalen aan de hobby’s van de elite?’

Waarom? Misschien wel omdat de elite – waar ik mezelf als universitair opgeleide, linkse kunstminner maar even toe reken – omgekeerd ook fors meebetaalt aan de hobby’s van Jan Modaal? Denk op landelijk niveau alleen al aan het Koningshuis: van mij mogen ze het afschaffen, maar ik wil de vlaggetjeswapperende ‘onderlaag’ van de bevolking haar vrolijke hobby niet misgunnen. De publieke omroep wordt deels gesubsidieerd van belastinggeld, maar hoor je mij zeuren over Lingo? Of over de toetreding van de rechtse omroepen Powned en Wakker Nederland tot het publieke bestel? Welnee, ieder z’n meug. En om een ‘lokaal’ voorbeeld te noemen: heb ik gevraagd om de talloze proleten die half Amsterdam afbreken als ze naar een voetbalwedstrijd in de Arena gaan, onder zware begeleiding van een peperdure politiemacht? Nee, maar dat hoort nu eenmaal bij een grote stad: over de liefhebberijen van een ander moet je niet te moeilijk doen.

Bovenstaande voorbeelden zijn natuurlijk jij-bakken. Zo flauw wil ik eigenlijk niet zijn. Je kunt het ook constructief verwoorden. Want Jan Modaal is wel degelijk gebaat bij de hobby’s van de elite. Immers, bij hoeveel theaters vind je geen parkeerwachters, portiers, kaartverkopers, garderobemedewerkers en barpersoneel? En dat zijn dan nog de zichtbare arbeiders. Achter de schermen werken vrachtvervoerders, podiumknechten, administratief medewerkers, cateraars, visagisten, beveiligers, kappers en schoonmakers. Allemaal respectabele, betaalde banen voor mensen die niet per definitie hoog opgeleid zijn. Sietse Fritsma wil de afficheplakker zijn baantje toch niet ontzeggen?

Erger is misschien nog dat de PVV bijval krijgt van de VVD – die partij van stakkers die in het kielzog van Wilders graag een rechts graantje mee willen pikken. In het eerdergenoemde NRC-artikel wordt de VVD-lijsttrekker voor de gemeente Den Haag, Sander Dekker, geciteerd. Hij vindt bijvoorbeeld dat prijzen van entreekaartjes omhoog kunnen. Zijn argument? ‘Ik zie bezoekers van het Residentie Orkest eerst voor 200 euro eten en vervolgens 20 euro voor een kaartje betalen.’

Die observatie zal wel kloppen – maar je vraagt je wel af: wat deed Dekker in dat restaurant waar je 200 euro voor een hap vreten betaalt, met zijn wethouderssalaris waar de belastingbetaler voor moet kromliggen? Waarom stond hij niet, zoals ik pleeg te doen voorafgaand aan concertbezoek, een broodje falafel van 5 euro weg te werken in een groezelige toeristenstraat? Ik wil Dekker zijn gezonde avondmaal niet ontzeggen, maar als je entreeprijzen voor theaters en concertzalen laat stijgen, zorg je er helemáál voor dat alleen de happy few naar binnen kunnen. En dat zijn er misschien wel zo few, dat zelfs voor hen de theaters de deuren moeten sluiten – wegens gebrek aan publiek. Zal dat prijzige theaterrestaurant blij mee zijn, waar Dekkers zo graag zijn duiten uitgeeft...

Toch is misschien wel de belangrijkste reden waarom Jan Modaal elitaire hobby’s zou moeten toejuichen, dat hij er uiteindelijk zelf de culturele vruchten van plukt. Een artiest als André Rieu heeft dankzij zijn anti-elitaire houding een miljoenenpubliek bereikt – maar deze zoon van een dirigent had zijn talent misschien wel nooit kunnen ontwikkelen zonder een jeugd die voor een belangrijk deel in – gesubsidieerde – concertzalen werd doorgebracht. De bij het grote publiek tegenwoordig zo populaire actrice Carice van Houten kwam eerst op stoom in een tv-serie van de o zo links-elitaire VPRO, en vervolgens in het theater, voordat ze in 2001 bij Jan Modaal doorbrak met de film Minoes. Weer een andere hobby van de gewone burger is cabaret, een discipline die tot wasdom heeft kunnen komen in, jawel, het door de PVV en VVD zo verfoeide subsidie-theater. Het onvoorstelbaar populaire boek The Da Vinci Code had niet geschreven kunnen worden als er geen musea voor schone kunsten bestonden. Als het Haags Gemeentemuseum straks wegens een subsidiestop dicht moet, wie schrijft dan die briljante thriller over de Victory Boogie Woogie?

Nu zou je heel cynisch kunnen zeggen: wat kan het mij als Amsterdammer schelen wat de gemeenteraad in Den Haag uitspookt? Of in het bepaald niet als avant-gardistisch bekend staande Almere, waar de PVV eveneens de macht dreigt te grijpen? Maar als gemeenteraadsverkiezingen een graadmeter voor de landelijke politiek zijn, houd ik mijn hart vast. En als Jan Modaal verstandig is, doet hij hetzelfde. Of is dat soms te elitair, verstandig zijn?

maandag 15 februari 2010

Omslagpunt

Wie zich geconfronteerd ziet met een onbegrijpelijke werkelijkheid, neemt al gauw zijn toevlucht tot infantiele verklaringen. Achter een onverkwikkelijke bliksembui zal de toorn van God wel schuilen, denkt de vrome kwezel. Maar ook in hogere regionen dan de religieuze, doet het fenomeen zich voor. Zo is er niemand die begrijpt waarom de producten der schone kunsten – cd’s, boeken, dvd’s, je weet toch – wel of niet succesvol zijn. Toch dansen de betrokkenen magisch denkend hun regendans in de religieuze hoop de consument te paaien.

Bob Witman van De Volkskrant berichtte afgelopen vrijdag over de zin en onzin van boekomslagen, naar aanleiding van de jaarlijkse Prijs voor het Mooiste Boekomslag. Wat is een goede cover voor een boek? Het maakt nogal uit aan wie je dat vraagt. De vormgever en de auteur van een boek zullen waarschijnlijk voornamelijk artistieke overwegingen aanvoeren. Drukt de vormgeving de thematiek van het boek uit? – en meer van dat soort feestelijke vraagstukken...

Dan heb je de uitgevers en boekverkopers. Die houden natuurlijk met name de commercie in de gaten: er moet immers verkocht worden! En precies dáár begint de hilariteit. Want waar de schrijver begrijpt dat hij nimmer van tevoren kan weten wie zijn werk zal lezen en waarderen (domste interview-vraag: ‘Had je dit enorme succes verwacht?’) – daar trachten uitgevers en boekverkopers angstvallig om structuur in de chaos van de vrije boekenmarkt te ontdekken.

Nelleke Geel, uitgever bij Signatuur, legt in het Volkskrant-artikeltje omslachtig uit hoe de Millennium-trilogie van Stieg Larsson aanvankelijk bleef steken op een schamele – ahum – 30.000 verkochte exemplaren. Aanpassing van de vormgeving, waardoor de drie delen duidelijker een reeks vormden en waardoor twee ‘indringende’ vrouwenogen de lezer voortaan vanaf alle drie de delen aanstaarden, deed de verkoop omhoog schieten. Jaja, zo belangrijk kan vormgeving zijn, dames en heren! Kijkt u maar:



Of lag de stijgende verkoop toch aan het feit dat men deel één op €10,- prijsde, bij wijze van binnenlokkertje, waarna de inmiddels verslaafde lezer niets anders meer kon doen dan – vooruit, oké – de €19,90 per stuk voor de beide vervolgdelen dan ook maar neer te leggen? Ik wil niet cynisch zijn, ik geloof in de kracht van vormgeving, maar toch, een dikke pil is voor een tientje snel gekocht...

Nog magischer ideeën dan de uitgeefster van Signatuur houdt een inkoper van boekhandelketen Bruna erop na. Volgens deze ziener begon Arnon Grunbergs Tirza pas werkelijk goed te verkopen toen – gaan we weer! – de vormgeving werd aangepast: van de aanvankelijke illustratie van een ‘tot lichaam omgevormde cello’ naar een foto van een sproeterig, nietszeggend tienerhoofd. Vergelijk zelf even:



Hoewel ik weinig met Grunberg op heb, is de keuze snel gemaakt: het oorspronkelijke omslag is oneindig veel frisser en origineler dan dat goedkope stockfoto’tje van versie twee. Maar hoe zit dat dan? Heeft de stijgende verkoop misschien ook hier iets met geld te maken? Bijvoorbeeld met het feit dat de sproetenpuber pas verscheen op de zogenaamde ‘mid-price’ editie van €12,50, die pas op de markt werd gebracht toen de oorspronkelijke paperback à €19,90 al lang en breed een succes was? Maar hoezo heeft die man van Bruna dat dan verkeerd in zijn kop zitten? Misschien omdat Bruna-klanten pas serieuze literatuur komen kopen wanneer het boek in kwestie een bestseller is geworden? Omdat Bruna nauwelijks iets anders dan bestsellers verkoopt?

Ik wil niet cynisch zijn, ik geloof in de kracht van vormgeving, maar toch, een Grunberg voor €12,50 is snel gekocht...Daar hoef je geen bedrijfskunde voor te studeren.

Jaja, we wichelen wat af. Ondertussen maak ik zelf spannende tijden door. Momenteel wordt er door een gerenommeerd vormgeefster aan het omslag voor mijn in augustus te verschijnen debuutroman gewerkt. Ik zit er bovenop, dat wel, maar tegelijk probeer ik een soort milde gelatenheid aan de dag te leggen. Ik zie wel waar ze mee komt. Immers: boeken met de prachtigste omslagen zijn in het verleden geflopt, en de meest afzichtelijke vodden werden successen. En niet minder willekeurig is ‘de markt’ als het om de inhoud van een boek gaat.

De Lezer is een abstract monster. Onpeilbaar, onvoorspelbaar. Toch een soort god, dus eigenlijk. Zo’n regendans is misschien helemaal zo’n slecht idee nog niet...

vrijdag 22 januari 2010

Een beter mens

Op facebook roept een vriendin – of nouja, vriendin, in de wereld van facebook valt zelfs de meest vage kennis die je nooit in levenden lijve hebt ontmoet al onder de term ‘friend’, en inderdaad, deze dame ken ik alleen omdat we dezelfde achternaam hebben en vermoedelijk dezelfde wortels in het Noord-Oosten van Marokko, al is dat een uitgestrekt gebied en is de familie zo groot, dat zelfs mijn eigen oma toen ik het haar ooit vroeg, nauwelijks kon vertellen hoeveel kinderen-kleinkinderen-achterkleinkinderen ze had voortgebracht en volstond met een eenvoudig ‘souqs... souqs...’

Maar goed, die ‘vriendin’ dus, roept op facebook moslims op – ze is namelijk een nogal uitgesproken moslima, sterker nog, ze heeft een tijdlang met haar twee zussen een tv-programma gemaakt waarin het drietal als giechelende nonnetjes het Nederland waar ze nota bene zelf waren opgegroeid, ‘verkenden’ vanuit hun rol van moslima, of wat de bedoeling ook mocht wezen, en sindsdien gaan ze als Bekende Nederlanders door het leven, met als hoogtepunt de tv-uitzending waarin ze hun drammerige interview-technieken tevergeefs loslieten op Hans Teeuwen, die hen vervolgens zo’n verschrikkelijke veeg uit de pan gaf, dat de scène bekroond werd tot tv-moment van het jaar, 2008 geloof ik, maar het kan ook 2007 zijn geweest, ik zal verder geen namen en data noemen.

Enfin, die ‘vriendin’ dus roept op donderdag 21 januari via facebook moslims op om zoveel mogelijk geld bij elkaar te brengen voor Haïti, zodat genoemde ‘vriendin’ ’s avonds, tijdens de speciale tv-uitzending Nederland Helpt Haïti een cheque van liefst één miljoen euro kan laten zien namens De Moslims In Nederland.

Nobel? Mijn eerste gedachte is: hoezo zou je als moslim geld storten? Dat kun je toch ook gewoon als mens doen? Waarom moeten die djellaba’s en hoofddoeken zich nu weer zonodig afzonderen van de rest van de maatschappij, het is toch allemaal al erg genoeg? En wat een superieure zelfingenomenheid klinkt er niet in zo’n oproep door! Wij, moslims, zijn zo nobel dat we wel even een miljoen bij elkaar leggen...

Ik wil al bijna reageren, maar weet me in te houden. Wat heeft het voor zin bij iemand die je toch nauwelijks kent? Bovendien, er wordt al zoveel gereageerd, ben ik nou ook al besmet met dat reaguurdersvirus dat inmiddels epidemische vormen begint aan te nemen?

’s Avonds, omdat ik me niet zo lekker voel en verder toch nergens toe kom, schakel ik in op de live-uitzending Nederland Helpt Haïti, in een van tevoren al van cynische walging doortrokken stemming. Ik ga me eens lekker een avondje ergeren aan al die narcistische vrijgevigheid van mijn landgenoten.

Er weerklinkt een Richard-Kleiderman-achtige pianopartij, en daar staan Guus Meeuwis (kedeng-kedeng) en Jörgen Raymann naast elkaar achter microfoons. Raymann trekt zo’n door en door ernstige kop, dat ik ervan in de lach schiet: komieken die ook eens serieus proberen te doen, het is een meelijwekkend gezicht.

Maar verrek, ze zingen, merk ik nu, wel mooi een nummer van André Hazes, Geef mij nu je angst. Wat zullen we nou krijgen, ik raak toch godverdomme niet ontroerd? Niet nu al?

Het lied is afgelopen en terwijl het applaus nog doorklinkt verschijnen de drie presentatoren in beeld: Linda de Mol is natuurlijk de belichaming van dit soort tv-toestanden, dus haar aanwezigheid mag niet verbazen, en Beau van Erven Dorens laat zich tegenwoordig voor alles wat hem maar wordt aangeboden inhuren, maar: wat doet Jeroen Pauw daar?

Recentelijk nog zag ik een oud interview van Theo van Gogh met Pauw, waarin hij zei: ‘Ik heb het idee dat ik volstrekt niet deug.’ En hij lichtte verder toe: ‘Ik geef nooit wat, bijvoorbeeld. Ik heb nog nooit aan Greenpeace, Amnesty International, ik noem maar wat, iets gegeven.’

En dat staat dan nu prominent televisie-kijkend Nederland op te roepen om geld te geven voor Haïti! Je moet wel heel veel schaamteloos lef hebben om je aan zo’n – o heerlijk, kan ik dat woord eindelijk eens gebruiken – gotspe te bezondigen.

Maar Pauw zei in dat interview met Van Gogh ook: ‘Ik zou willen dat ik een beter mens was.’ Eerlijk is eerlijk. En hij leek het nog te menen ook. Dus misschien zijn we eigenlijk getuige van iets heel moois: Jeroen Pauw die live on tv bezig is een beter mens te worden...

Over betere mensen gesproken: daar ontwaar ik ineens Geert Wilders in het belpanel, broederlijk gezeten naast Mark Rutte en Wouter Bos. Nu is het toch wel even jammer dat die Moslims Met Hun Miljoen maar niet in beeld komen. Maar hoezo zit Wilders daar? Was ontwikkelingshulp volgens hem niet ‘een linkse hobby’, een kwestie van ‘miljarden’ die in een ‘bodemloze put’ gestort werden? Nee, hier wil geen enkele verzachtende omstandigheid in mij opkomen, dit is een onvergeeflijke campagnestunt, een zeldzaam staaltje extreme hypocrisie.

Zo kijk ik verder, voortdurend wankelend tussen chagrijnig cynisme en een bestraffende vorm van vergoeilijking: wat loop je nou te kankeren, Ouariachi, jij was toch links, jij was toch voor solidariteit? Ja, maar ja, als ik dan Balkenende hoor zeggen dat we ‘met z’n allen solidair moeten zijn’, dan... Nou en? Als Balkenende’s verschijning mensen over de streep kan trekken om een tientje over te maken zodat er straks iemand te vreten en te zuipen heeft daar in Haïti, dan wordt het Balkenende-middel toch geheiligd door het goede Haïti-doel? En als een meid van Halal een paar moslims die misschien niets van plan waren te geven, toch weet over te halen om geld te storten, wat kan jou het dan schelen dat ze dat als moslim doen? En als de talloze PVV-stemmers een keertje inzien dat ontwikkelingshulp niet alleen maar ‘pappen en nathouden van onze belastingcenten’ is, maar dat zelfs hun rechtlijnige leider een zacht kantje heeft, dan is dat toch mooi meegenomen?

Voordat mijn cynische cipier mijn twijfels terug in hun cel dwingt, maak ik een bedragje over op giro 555. Net op tijd, want als ongeveer een uur later het eindbedrag bekend is gemaakt en de aftiteling begint, zie ik met tevreden walging hoe minister Koenders net iets te gretig zijn hand om Linda de Mols middel kromt, haar vervolgens naar zich toetrekt, en voor het oog van de camera’s voor de tweede keer in twee minuten drie ongetwijfeld net iets te lang durende, en net iets te dicht bij de mond geplaatste zoenen geeft.

Het valt niet mee om een beter mens te worden...

zondag 10 januari 2010

Russische Roulette

John Appel, maker van de legendarische Hazes-documentaire Zij gelooft in mij, volgt in zijn nieuwe film The Player een drietal gokkers, of liever gezegd: spelers. Het zijn drie mannen – een bookmaker, een oplichter en een monomane pokeraar – bij wie het niet gaat om ‘een tientje winnen of een tientje verliezen,’ zoals een van hen het verwoordt. Nee, ‘de echte grote gokker, die zet zichzelf op het spel.’

Dat geldt ook voor Appels overleden vader, wiens levensverhaal de regisseur tussen dat van de drie geportretteerden door weeft. Appel senior was een succesvol makelaar die al zijn geld verkwistte op de paardenraces en later in het casino te Zandvoort. Meermalen zette hij zelfs het welzijn van zijn gezin op het spel. Op zijn sterfbed in het ziekenhuis gaf hij zijn zoon John een twintigtal cheques om in het casino mee te gokken opdat de ziekenhuisrekening betaald kon worden.

Het knappe van John Appel is dat hij zowel zijn vader als de drie geportretteerden, waarvan er eentje toch al tien jaar in het gevang zit, volledig in hun waarde laat. Hoe afstotelijk hun gedrag op het eerste gezicht ook mag zijn, gaandeweg winnen zij de sympathie van de kijker. Hun levenshouding wordt misschien niet begrijpelijk, maar wel inzichtelijk. En er mag gelachen worden, zeker, maar het is een lach die steeds bitterder wordt naarmate Appel, stapje voor stapje, steeds meer de schaduwkant van hun alles-of-niets-levensstijl laat zien. Hij doet dat bovendien met huiveringwekkend mooie close-ups en in een montage die compositorisch gezien aan die van een literair werk doet denken.

Dat is een verademing in een tijd waarin documentair filmen vooral aangewend wordt voor hysterische hypes, navelstaarderig exhibitionisme, publieke schandpaalnagelarij en overmatig gepsychologiseer.

Hoe zeldzaam Appels attitude is, en hoe door en door verpest door veroordelingsdrang en psycho-geblaat de rest van de maatschappij is, viel mij gisteren op. Ik zag The Player tijdens een speciale vertoning in filmhuis Rialto. Appel was aanwezig en werd na de film geïnterviewd door Hanneke Groenteman, waarna ook het publiek gelegenheid kreeg om vragen te stellen.

Waarom liet Appel in de film niets zien over psychiatrische behandelingen tegen gokverslaving? vroeg een jongeman met een stem die trilde van morele verontwaardiging (want zo’n filmregisseurtje moest toch godverdomme niet denken dat hij zelf kon bepalen wat hij wel en niet liet zien in die kutfilm van hem?). Kalmpjes antwoordde de regisseur dat hij daar niet in geïnteresseerd was, dat hij het gokken meer als een levenshouding zag dan als een ziekte – in ieder geval was dát wat hij wilde laten zien. De jongeman, stellig overtuigd dat het publiek in de uitverkochte zaal door sneeuw en kou was afgereisd om hem aan het woord te horen, was dit toch echt niet met Appel eens en als Groenteman niet tijdig had ingegrepen was er een stevige en vooral slaapverwekkende discussie ontstaan.

Iemand anders had een vraag over de gedetineerde oplichter in de film die - zo blijkt gaandeweg - ook de regisseur flink in de maling neemt. Was Appel niet boos dat hijzelf ook het slachtoffer was geworden van deze oplichter? Nee, luidde het terechte antwoord, het mooie was juist om de man in actie te zien, tijdens zijn oplichterspraktijken. Het was ‘een cadeautje’ aan de filmmaker dat die situatie zich voordeed.

Maar hoe moesten we het gedrag van die oplichter precies duiden? vroeg weer een ander zich af. Bleef hij volharden in zijn criminele gedrag, zelfs vanuit de gevangenis, omdat hij onbewust bang was voor de boze buitenwereld en liever koos voor de beschermde omgeving van De Koepel in Haarlem?

Het ging maar door. Niets kon onuitgesproken blijven, niets werd aan de fantasie overgelaten. Het mysterie moest vernietigd, de schoonheid overschreeuwd met clichés uit journalistiek, politiek en hulpverlening. Graag had ik met een machinegeweer dat voltallige publiek omver gemaaid – maar een laatste restje intelligentie (en praktische bezwaren, ook die) dreven me de zaal uit, naar de Italiaan aan de overkant van de bioscoop, waar ik met mijn lief nog lange tijd over die prachtfilm bleef napraten.

The Player – ga die film zien! En laat uw morele geldingsdrang en psychologische verklaringsverslaving toch lekker thuis. Kijken en luisteren – u hebt er genoeg aan, wanneer u in handen bent van zo’n magistrale regisseur als John Appel.

vrijdag 8 januari 2010

De Deur

‘De taal,’ zei de Postmodernist tegen de vriend die naast hem liep, ‘verwijst niet naar de werkelijkheid.’
De vriend vond dit een nogal boude bewering. Ook stoorde hij zich aan de stelligheid waarmee de Postmodernist sprak. Zelf hield hij er weinig stellige overtuigingen op na.
De Postmodernist vervolgde zijn betoog. ‘Derrida heeft al gezegd: il n’ya pas de hors-texte.’ Hij wierp zijn vriend over de rand van zijn bril een diepzinnige blik toe, en in de veronderstelling dat de vriend geen Frans verstond, vertaalde hij: ‘Er is niets buiten de tekst.’

Ze arriveerden bij het café waar ze onder het genot van een jonge klare en een glas bier over het leven zouden praten.
De vriend duwde de cafédeur open en wilde in het kleine halletje al het tochtgordijn opzij schuiven, toen hij plotseling ergens stellig van overtuigd raakte. Hij draaide zich om en smeet – nog voordat de Postmodernist de drempel had kunnen oversteken – de deur achter zich dicht.

Doffe bonk tegen een brekend reukorgaan.

Ceci n’est pas une porte,’ playbackte de vriend vanachter de ruit van de deur.
De Postmodernist verstond hem niet, en was door de tranen in zijn ogen evenmin tot liplezen in staat.
‘Wat zeg je?’ vroeg hij nog.
Toen verscheen er een glimlach op zijn bebloede gezicht. Hij wendde zich af van het café, mompelde ‘Zie je wel,’ en ging op huis aan, terwijl hij zich probeerde in te beelden dat zijn neus geen pijn meer deed.