‘De taal,’ zei de Postmodernist tegen de vriend die naast hem liep, ‘verwijst niet naar de werkelijkheid.’
De vriend vond dit een nogal boude bewering. Ook stoorde hij zich aan de stelligheid waarmee de Postmodernist sprak. Zelf hield hij er weinig stellige overtuigingen op na.
De Postmodernist vervolgde zijn betoog. ‘Derrida heeft al gezegd: il n’ya pas de hors-texte.’ Hij wierp zijn vriend over de rand van zijn bril een diepzinnige blik toe, en in de veronderstelling dat de vriend geen Frans verstond, vertaalde hij: ‘Er is niets buiten de tekst.’
Ze arriveerden bij het café waar ze onder het genot van een jonge klare en een glas bier over het leven zouden praten.
De vriend duwde de cafédeur open en wilde in het kleine halletje al het tochtgordijn opzij schuiven, toen hij plotseling ergens stellig van overtuigd raakte. Hij draaide zich om en smeet – nog voordat de Postmodernist de drempel had kunnen oversteken – de deur achter zich dicht.
Doffe bonk tegen een brekend reukorgaan.
‘Ceci n’est pas une porte,’ playbackte de vriend vanachter de ruit van de deur.
De Postmodernist verstond hem niet, en was door de tranen in zijn ogen evenmin tot liplezen in staat.
‘Wat zeg je?’ vroeg hij nog.
Toen verscheen er een glimlach op zijn bebloede gezicht. Hij wendde zich af van het café, mompelde ‘Zie je wel,’ en ging op huis aan, terwijl hij zich probeerde in te beelden dat zijn neus geen pijn meer deed.
vrijdag 8 januari 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten